“Antiradicalisering vraagt om gemeentelijke investering in competenties” 16-06-2008 De lokale overheid moet identiteitsontwikkeling van alle jongeren stimuleren. Daarnaast moeten gemeenten in het bijzonder investeren in jongeren en hun competenties en vaardigheden vóórdat ze radicaal worden, benadrukt Amy-Jane Gielen, onderzoeker en adviseur antiradicaliseringsbeleid Stadsdeel Slotervaart in Amsterdam. “Jongeren moeten vragen kunnen stellen, debatteren, reflecteren, zelfstandig denken, een eigen mening vormen en een kritische houding aannemen in de samenleving. Dat kan via allerlei onderwijs- en welzijninstellingen, maar ook via de moskee waar interreligieuze dialogen worden gehouden. Verder kunnen gemeenten de ouders ondersteunen in de opvoeding en ervoor zorgen dat welzijnsprofessionals radicalisering leren herkennen.” Op deze manier leidt de samenwerking tussen de gemeente en de verschillende partners tot meer begrip en transparantie. Volgens Gielen kunnen contacten veel beter worden benut via de lokale overheid die regisseert en coördineert dan via de landelijke politiek: “Den Haag moet faciliteren. De gemeenten moeten zelf antiradicaliseringsbeleid opstellen en met de lokale partners uitvoeren.” Bij de keuze voor investering in competenties van jongeren, staat scheiding tussen Kerk en Staat niet ter discussie: “Als overheid leg je jongeren dan geen wenselijke religie of ideologie op, maar rust je jongeren uit met een rugzakje aan competenties en vaardigheden, zodat zij zelfbewust en verantwoord hun keuzes kunnen maken.” Identiteitsvorming van radicale jongeren “Ik zie geen echte nieuwe ontwikkeling, wel heb ik de identiteitsvorming van radicale jongeren in mijn boek in kaart proberen te brengen, want dat is tot op heden eigenlijk niet gebeurd.” Gielen heeft onderzoek gedaan naar Rechtsradicalisering en Moslimradicalisering. Daaruit blijkt dat er overeenkomsten zijn in het proces van identiteitsontwikkeling. “De belangrijkste ontwikkelingen die ik daar zie, is dat hun identiteit wordt gevormd door persoonlijkheidskenmerken (vaak een groter rechtvaardigheidsgevoel, groter gevoel van erbij willen horen), interpersoonlijke relaties (sociale netwerk zoals ouders (genereatiekloof), bepaalde soort vrienden of juist het gebrek eraan) leiden ertoe dat je als het ware een bepaalde hoek wordt opgeduwd met je denken. Dat kan politiek (rechts) of religieus zijn. Daar is helemaal niets mis mee en dat hebben we allemaal. Wat je bij radicale jongeren ziet is dat ze vaak ‘getriggerd’ worden door een bepaalde gebeurtenis, van de dood van hun moeder tot de moord op Pim Fortuyn. Dat leidt ertoe dat ze zich verder in een bepaalde ideologie of religie gaan verdiepen. Bij rechtse jongeren was dat het nationaal-socialisme en bij moslimjongeren het jihadi-salafisme.” Nog niet radicaal Gielen beschrijft het proces van radicalisering. Volgens haar zijn er nauwelijks verschillen tussen de twee ideologieën: “Wat je vervolgens ziet is dat ze volgens de ideologie nationaal-socialisme of het jihdi-salafisme gaan leven. Hun doen en laten, wat zich bijvoorbeeld uit in een kledingsstijl skinhead enerzijds, djelleba anderzijds, wordt echter niet door de maatschappij geaccepteerd. Ze worden bestempeld als een neo-nazi (rechtse jongeren) of terrorist (moslimjongeren). In deze fase zijn ze zijn ze echter nog niet radicaal. Deze jongeren hebben behoefte aan herkenning en erkenning, net zoals ieder ander mens daar ook behoefte aan heeft. Dat vinden ze in een groep: rechtse jongeren bij een groep van 'kamerraden' en moslimjongeren in een groep van 'broeders of zusters'. Eenmaal in zo’n groep vindt een verdere verdieping van ideologie of religie plaats. Zo’n groep ervaren ze als 'een warm bad', 'thuiskomen' en 'familie'. Zo voelen ze zich goed en ze ontlenen een positieve sociale identiteit aan de groep. Dat wordt verder versterkt doordat ze zich verder afzetten tegen andere groepen.” Groepsvorming Het radicaliseringsproces onder deze jongeren voltrekt zich vaak snel wanneer het handelen binnen een groep vorm krijgt, aldus Gielen. Radicale rechtse jongeren zetten zich af tegen migranten, krakers, homo's, zigeuners, 'profiteurs van de welvaartstaat’. Radicale moslimjongeren zetten zich af tegen ongelovigen, zelfs tegen de eigen etnische groep, want die hebben een 'culturele religieuze beleving' en praktiseren niet de 'ware' islam,“Het gaat zelfs zo verder dat deze individuen die normaal gesproken een veelvoudige identiteit hebben (als broer, zus, zoon/dochter, collega, vriend/vriendin, student etc) dat eigenlijk niet meer hebben. In ieder sociale context domineert de 'radicale identiteit'. Een werkstuk voor school gaat over waarom de Holocaust nooit plaatsgevonden zou hebben en een borrelavond met vrienden gaat over de multiculturele samenleving. Uiteindelijk kan het er toe leiden dat deze personen (individueel of in groepsverband) ook overgaan tot geweld op hun doelen te verwezenlijken.” Slotervaart als voorbeeld Tevreden blikt ze terug op het voorbeeld van de Slotervaartse aanpak van radicalisering. “Wat ik [tot nu toe] heb gezien is positief, maar het heeft wel laten zien dat het een proces van de lange adem is. De stadsdelen kunnen niet hun eentje dat doen, scholen willen niet geassocieerd worden met het feite dat ze betrokken zijn bij antiradicalisering, de moskee zien dat als een schade voor hun imago etc. Dat bedoel ik met de lange adem. Uiteindelijk is het ‘t stadsdeel gelukt om de school en de moskee als partners te krijgen in het antiradicaliseringsbeleid.” Preventie van radicalisering Om radicalisering te voorkomen maakt Gielen onderscheid tussen drie soorten preventie: primaire, secundaire en tertiaire preventie: “Primaire preventie gaat om het wegnemen van de voedingsbodem en jongeren en hun omgeving weerbaar maken tegen radicale personen en gedachten. ; voorkomen dat jongeren radicaal worden. Bij het wegnemen van de voedingsboden kan je denken aan interreligieuze dialoog of religieus-seculiere kringbijeenkomsten. Bij het weerbaar maken gaat het zowel om het weerbaar maken van jongeren (bijv. via socratische gesprekken) en hun ouders (via opvoedingsondersteuning). Bij secundaire preventie gaat om jongeren de ‘curatie’ van jongeren die al geradicaliseerd zijn, het voorkomen dat de ‘denkers’ ook ‘doeners’ (extremisten/terroristen) worden. Hier speelt ook de signaleringsfunctie van allerlei sociale professionals een rol. Zij moeten over allerlei instrumenten beschikken om radicalisering te herkennen en in gesprek te gaan met deze jongeren. Mochten jongeren uiteindelijk toch overgaan tot actie, dan ligt er in eerste instantie een taak voor politie en justitie. Na hun evt. gevangenisstraf moeten deze jongeren echter ook weer terugkeren in de maatschappij. Daar ligt voor de gemeente en haar partners ook een taak weggelegd: begeleid deze jongeren weer naar school en werk, voorkom dat ze over een paar maanden weer in herhaling treden.” Nederland kennisland? Tot slot geeft Gielen aan dat de Nederlandse overheid, dankzij het wetenschappelijk onderzoek, kennis heeft opgedaan die ze gebruikt om een antiradicaliseringsbeleid te formuleren. Op het gebied van antiradicaliseringsbeleid is Nederland de voorloper in Europa en mag zich dus permitteren als kennisland: “Ik heb mij laten vertellen dat Nederland voorloper is op het gebied van antiradicalisering, de rest van Europa wil graag van ons leren!”, zegt Gielen. “Wel kunnen we wat van Duitsland en Scandinavië leren die al heel ver zijn met deradicalisering van rechtse jongeren. Bij moslimjongeren speelt religie echter een belangrijke rol. In Singapore, Maleisië is hier veel mee gedaan, maar dan worden de jongeren als het ware 'gebrainwashed' een andere religieuze interpretatie te hebben. Dat moet je als overheid in Nederland niet willen. Ik geloof dus veel meer in het investeren in competenties en vaardigheden.” Op 21 mei 2008 verscheen de publicatie van Amy-Jane Gielen: ‘Radicalisering en identiteit. Radicale rechtse en moslimjongeren vergeleken.’ Het boek beschrijft de processen van radicalisering, combineert theorie en praktijk en biedt inzicht voor de steden in het ontwikkelen van anti- radicaliseringbeleid. Het boek is te bestellen via: www.askant.nl (en ook verkrijgbaar in de boekhandel/ISBN: 978-90-5260-301-8, prijs € 19,90). Voor meer informatie kunt u terecht bij de website van Amy-Jane Gielen: www.agadvies.com Enkele literatuursuggesties: Martijn de Koning (2008). De 'zuivere' islam. Geloofsbeleving, identiteitsvorming en radicalisering onder moslimjongeren. Patrick Pouw (2008). Salaam, een jaar onder orthodoxe moslims.
Bron: Nicis Insitute, Yassir Houtch terug |






