"Institutionele desintegratie oorzaak van hangjongerenprobleem"
17-04-2008 “Overlastgevende jongeren hebben vaak een slechte band met instituties als het gezin, de school en de moskee of kerk. Hierdoor krijgen ze niet de traditionele normen en waarden mee, maar die van de straatcultuur. Hierin worden materialisme, snel rijk worden door weinig te doen, machogedrag en geweld verheerlijkt." Dat zegt Iliass Elhadioui, promovendus aan de Erasmus Universiteit. Elhadioui heeft een aantal tips voor gemeenten hoe ze met probleemjongeren om kunnen gaan. “In de eerste plaats moeten gemeenten komen met een goede en reële omschrijving en definitie van hangjongeren. Ten tweede moet de oorzaak niet in het culturele domein worden gezocht, maar in de ontkoppeling van de jongeren. Daarom moeten gemeenten de oplossing van het probleemgedrag zoeken in de integratie van jongeren in de traditionele instituties. Hierin kunnen zelforganisaties een belangrijke rol spelen. Zij kunnen fungeren als bufferzone tussen de straatcultuur en de officiële instituties.” Iliass Elhadioui hielp mee aan het rapport ‘Tussen flaneren en schofferen’ van de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling, dat op 17 april aan Minister Rouvoet van Jeugd en Gezin is aangeboden. Elhadioui deed onderzoek naar hangjongeren met een Marokkaanse achtergrond in de Maassluise Burgemeesterwijk. “Het is niet dat jongeren te Marokkaans zijn, maar ze zijn juist te weinig Marokkaans. Ze zijn ontkoppeld van de natuurlijke domeinen waar traditionele waarden en normen worden doorgegeven zoals het gezin, de moskee en school.” In Maassluis bekeek hij wat voor effect het project ‘begeleiding Marokkaanse jongeren’ van de Marokkaanse zelforganisatie Stichting Ummah Wahidah, heeft gehad op het gedrag van hangjongeren. Uit zijn onderzoek bleek dat het overlastgevende gedrag van jongeren in de wijk in twee jaar met dertig procent is afgenomen. In zijn onderzoek belicht Elhadioui de succesfactoren van de aanpak in Maassluis, hoewel elke aanpak aan elke omgeving en groep moet worden aangepast kan Elhadioui op basis van zijn onderzoek een aantal tips voor gemeenten formuleren: Formuleer een goede definitie “Gemeenten moeten komen met een omschrijving en definitie van hangjongeren. In sommige gemeenten wordt iedereen die op de hoek van de straat staat te kletsen gezien als hangjongere. Maar je hebt ook aanvaardbare hangjongeren. Die gewoon op straat zijn, maar geen overlast veroorzaken.” Elhadioui gebruikt de typologie van Beke om onderscheid te maken tussen verschillende jeugdgroepen. In de eerste plaats zijn er de hinderlijke jeugdgroepen, zij hangen op straat, zijn soms te luidruchtig en richten soms kleine vernielingen aan. Dan zijn er de overlastgevende jeugdgroepen. Zij zijn nadrukkelijker aanwezig in de buurt, vallen soms voorbijgangers lastig, ze vernielen regelmatig dingen en zijn moeilijker te corrigeren. Tot slot zijn er de criminele jeugdgroepen. Deze criminele jeugdgroepen zijn niet met de methodiek van Elhadioui aan te pakken. Een harde aanpak is voor hen noodzakelijk. Identificeer de werkelijke oorzaak “Gemeenten moeten de oorzaak van probleemgedrag beter inzien. Het hangjongerenprobleem wordt vaak gezien als een integratieprobleem. Ze hangen, dus ze zullen wel te weinig geïntegreerd zijn. Dat is onzin. Ze zijn wel geïntegreerd maar de verkeerde kant op, namelijk in de straatcultuur. Hun gedrag lijkt op geen enkele manier op hoe mensen zich in Marokko gedragen, of op het gedrag van hun ouders. Het lijkt eerder op wat je in de Amerikaanse getto’s of Franse banlieues ziet. Ze zijn geïntegreerd in hun omgeving en aangezien zeventig procent van de Marokkaanse jongeren opgroeit in probleemwijken integreren ze in de straatcultuur. Er wordt dus ten onrechte in het publieke discours gezegd dat probleemgedrag aan cultuur ligt. Juist de jongeren op straat hebben een gebrekkige praktiserende binding, ze gaan niet naar de moskee. Het gedrag komt door de ontwrichting uit de traditionele instituties.” Elhadioui noemt deze integratie in de straatcultuur een neerwaarts integratieproces. Het ware probleem is dus de ontkoppeling uit traditionele instituties en het opgaan in een straatcultuur dat vaak aanzet tot het vertonen van ongewenst gedrag. “Jongeren die zich binnen de kerninstituties bevinden hebben vaak een goede opleiding, een baan en ze doen aan sport. Jongeren die overlast veroorzaken hebben vaak een slechte band met hun ouders, zijn niet praktiserend binnen de moskee, gaan niet naar school, werken niet en doen niet mee aan sportactiviteiten.” Steun zelforganisaties die als tussenschot fungeren Aangezien er sprake is van ‘ontbinding’ moet er weer sprake zijn van binding. “In gemeenten moet alles in het werk gesteld worden om jongeren weer te koppelen.” Dit is makkelijker gezegd dan gedaan en de aanpak zal in elke wijk anders zijn. Belangrijk is volgens Elhadioui wel altijd dat er vanuit wijkniveau gehandeld wordt, dat er sprake is van een integrale aanpak waarbij onorthodoxe samenwerkingsverbanden worden aangegaan en dat gemeenten het belang inzien van laagdrempelige zelforganisaties. Deze kunnen als een tussenstation tussen de straat en de traditionele instituties functioneren, en zo de stap naar institutionele integratie kleiner maken. Elhadioui noemt de Stichting Ummah Wahidah in de Burgemeesterwijk in Maassluis als succesvol praktijkvoorbeeld. Hier startten een tiental vrijwillige jongemannen uit de lokale Marokkaanse gemeenschap het project ‘Begeleiding Marokkaanse jongeren’. Zij ontwikkelden activiteiten voor de jongeren. Naast laagdrempelige sportactiviteiten organiseerde de Stichting ook sociaal-ethische activiteiten waarmee de Stichting een mentaliteitsverandering bij de jongeren teweeg wilde brengen. Verder werden er ook functionele activiteiten ondernomen die gericht waren op de integratie van jongeren op school of op de arbeidsmarkt. “In Maassluis werd in twee jaar de overlast gereduceerd met dertig procent doordat de zelforganisatie als een soort tussenschot tussen straat en moskee en onderwijs functioneerde. Door zo’n tussenschot is de stap minder groot. Ze werden gelokt door laagdrempelige amusementsactiviteiten, als ze eenmaal binnen waren begonnen de pedagogische activiteiten waardoor de jongeren de waarden van de straatcultuur los zouden laten en zich weer netjes zouden gaan gedragen. Daarna kon de stap naar de traditionele instituties gemaakt worden.” Cruciaal is dat er in deze tussengelegen zelforganisatie mensen werken waarvan jongeren het gevoel hebben dat zij hun belevingswereld begrijpen. “Er moet sprake zijn van een emotionele identificatie met de begeleiders en vooral ook van respect voor hen.” Momenteel is Elhadioui als socioloog bezig met zijn promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit over de sociale uitsluiting en (des)identificatie van Rotterdamse jongeren. terug |






