48-uursservice-nieuwsbrief-webwinkel-Perskamer
 
Trefwoord
dot
dot
Zoekenleeg
logo NICIS
home > bijeenkomsten > verslagen > Kennisatelier De plaats van religie i...
logo NICIS
Print paginaContactSitemap
-
  • thema's en dossiers
  • actueel
  • bijeenkomsten
    • verslagen
  • parels van integratie
  • kennisprogramma's
  • contact
  • over KIEM
-
-
-
-
-
Kennisatelier De plaats van religie in stedelijk beleid
01-09-2005
Inleiding
Op 1 september organiseerde het Kennisnet Integratiebeleid en Etnische minderheden (KIEM) het eerste kennisatelier in een reeks van drie bijeenkomsten over religie en cultuur. Deze bijeenkomst bood een theoretische en politiek-bestuurlijke verkenning naar religie en cultuur in de stedelijke context. Daarmee werd de veelzijdigheid van het vraagstuk geschetst.
Beschrijving
Introductie Margo Groenewoud
KIEM heeft deze zomer een quick-scan laten doen onder 33 gemeenten naar de rol van religie in lokaal beleid. Het beeld dat hieruit naar voren komt is dat steden veelal geen expliciet beleid voeren op religie. Velen lijken zoekend te zijn. Hierin ligt mede de aanleiding voor deze reeks.
Religie als onderwerp ligt lastig - het is gevoelig maar vooral complex. Dat blijkt ook uit de kwantitatieve trends die onderzoeken van SCP en CPB signaleren. In de Nederlandse samenleving neemt secularisatie (in de vorm van ontkerkelijking) nog steeds toe, ook bij Moslims. Tegelijkertijd zie je een enorme toename van religieuze,levensbeschouwelijke en spirituele belangstelling. Het is een ambivalent beeld.
Kijken we naar de praktijkvoorbeelden uit het integratieveld, dan zie je dat de moord op Theo van Gogh opmerkelijk vaak genoemd wordt als een directe aanleiding voor verschillende initiatieven. Op twee manieren wordt daarmee een directe link zichtbaar tussen integratieprojecten en religie. In de eerste plaats is sprake van een toegenomen angst voor moslim-exremisme. In de tweede plaats worden religie en religieuze instellingen een steeds belangrijkere rol toegedicht in sociale cohesie. Veel projecten hebben het karakter van ontmoeting of dialoog, en deze wordt georganiseerd mede langs kerkelijke lijnen. Ondanks deze trends is er nog steeds geen sprake van specifiek op religie en religieuze instellingen gericht beleid.
KIEM heeft een programma van drie bijeenkomsten georganiseerd over het thema religie in het integratiebeleid, waarvan dit de eerste is. In deze eerste bijeenkomst proberen we helder in beeld te brengen waar we het nu eigenlijk over hebben. Hoe zit het precies met die scheiding van kerk en staat? Wat zijn de mogelijkheden en onmogelijkheden van de lokale overheid?
Wellicht is het niet eenvoudig om te komen tot een eenduidig gedragen opvatting over die scheiding van kerk en staat. Misschien zal eerder gedacht moeten worden in de lijn van Guusje ter Horst, burgemeester van Nijmegen. Zij eindigde haar lezing tijdens de Kerk en Wereld conferentie van 12 november 2004 met de uitspraak:
"In een democratische rechtstaat zijn overheid en religie partners en fellow-travellers - overigens wel op voorwaarde, dat ieder de rol van de ander respecteert en erkent. Daarom moeten we steeds opnieuw het principe van scheiding tussen kerk en staat invulling blijven geven."
Inleiding Bart Labuschagne
Wat moet je als gemeentebestuurder met het abstracte thema van de scheiding van kerk en staat? En wat kan een gemeente nog meer doen dan ‘het gesprek’ tussen verschillende levensbeschouwingen faciliteren? Volgens rechtsfilosoof Labuschagne wordt de scheiding van kerk en staat, die overigens nooit bij wet is geregeld, op het ogenblik nogal eenzijdig uitgelegd. Hij wijst erop dat we in Nederland een traditie kennen van een ‘welwillende verhouding’ tussen kerk en godsdienst. Over eeuwgrenzen heen sloeg de overheid per definitie geen acht op deconfessionele verschillen. In de jaren zestig stelde het Rijk zelfs nog een premie op kerkenbouw, waarbij de confessies gelijk werden begunstigd. Door de jaren heen is ook een flink aantal moskeeën met overheidsgeld gebouwd.
De jaren zeventig en tachtig brachten hier verandering in. Individualisering en juridisering rukten op. De nieuwe Grondwet bracht het veelbesproken gelijkheidsbeginsel en de nadruk op de rechten van het individu stond ongeveer gelijk aan het ‘niet meer met godsdienst te maken willen hebben’. Gevolg, aldus de universitair docent uit Leiden: overheid en godsdienst vervreemdden van elkaar.
Een situatie van vijandschap tussen religie en politiek is volgens hem levensgevaarlijk. Hij ziet het benoemen van de ‘spirituele dimensie van de samenleving’ als een lastige, maar dwingende opgave. En het is volgens hem niet voor niets dat politici nogal eens jaloers zijn op godsdienst, omdat die mensen kan raken wat hen dikwijls niet lukt, namelijk in het hart.
Labuschagne pleit ervoor beide in hun waarde te laten. Het gaat om de balans tussen die twee. Hedendaagse opvattingen van strikt secularisme of een republikeins laïcistisch neutraliteitsgeloof zijn volgens hem niet geschikt. Om het verband tussen religie en politiek handen en voeten te geven zou je kunnen (terug)grijpen naar het middel van de civiele religie.
Civiele religie is niet zo’n bekend begrip in de Nederlandse discussie, maar het bestaat wel degelijk. Het gaat hierbij om gedeelde beleving van waarden van de samenleving als geheel, zoals die bij herdenkingen en vieringen tot uiting komt. Nederland kent diep gedeelde waarden als nooit meer Auschwitz, nooit meer fascisme en geen discriminatie. Punt is wel, aldus Labuschagne, dat de samenleving zich wel blijvend als een eenheid moet ervaren – en dan zeker de demos van democratie.
Volgens hem moeten bestuurders geen schroom hebben om rituelen te gebruiken. Als die goed worden ingezet stichten ze gemeenschap en bevorderen ze saamhorigheid. Hij ziet het aan de 4 mei-herdenking en 5 mei-viering samen met de islamitische gemeenschap in Amsterdam en aan de dag van de inburgering die aan waarde wint. Conclusie: ‘Er valt meer te winnen met een vriendschappelijke relatie dan met een kille en hooghartige relatie die gelovigen in de kou laat staan.’ 
Inleiding Willem Jansen
Daarmee zitten we middenin de lokale praktijk. Willem Jansen van STEK, een diaconale werkorganisatie in Den Haag, is ondersteunend predikant voor minstens tachtig migrantenkerken en voor de lokale abrahamitische oecumene (de oecumene tussen joden, christenen en islam die zich op dezelfde voorvader beroepen, red.). Na een jarenlang moeizame relatie ziet hij sinds enige tijd ‘lichtpuntjes in de contacten met het Haagse gemeentehuis’.
Daar is volgens hem ook reden voor. Alle secularisatietheorieën ten spijt is de stad Den Haag, aldus Jansen, nog nooit zo religieus geweest als vandaag de dag. Zeker, de gevestigde kerken lopen onverminderd leeg en zijn al op veel plaatsen afgebroken. Maar daar staat tegenover dat de migrantenkerken groeien als kool: in Den Haag gaan tegenwoordig meer zwarte dan witte Christenen naar de kerk.
Daar wringt trouwens ook de schoen. Met de brand in café het Hemeltje in Volendam en de vuurwerkramp in Enschede in het geheugen besloot het gealarmeerde gemeentebestuur vorig najaar per direct vier locaties voor geloofsgemeenschappen te sluiten. De publieke tribune bij de commissievergadering die volgde zat hélemaal vol. Maar de wethouder met integratie in portefeuille kon na het doortastende werk van zijn handhavende collega geen enkele toezegging voor faciliteiten doen in verband met… de scheiding van kerk en staat.
Door een motie van de raad heeft het college uiteindelijk wel geholpen met het zoeken naar een tijdelijke ruimte. Ook zegde de gemeente toe een onderzoek te zullen uitvoeren naar de behoefte aan gebedsruimten onder verschillende religieuze gemeenschappen.
Jansen is razend benieuwd wat de gemeente doet: de boot afhouden vanwege de eeuwige scheiding tussen kerk en staat of toch met enige welwillendheid de benodigde vierkante meters in kaart brengen. Jansen: ‘Het maatschappelijk rendement van al deze gemeenschappen wordt door de overheid maar mondjesmaat erkend. We zouden in elk geval met elkaar kunnen nadenken over omgangsvormen na de scheiding.’
Volgens hem is het tijd voor een lat-relatie tussen religie en lokale politiek, dat wil zeggen voor samenwerking zonder inmenging in elkaars interne aangelegenheden. Jansen merkt in elk geval dat er deze jaren een nieuw slag bestuurders aantreedt die minder krampachtig tegenover religie staat: ‘De Wolkers- en Maarten ’t Hart-generatie, die met baarden en barricades persoonlijk met religie afrekenden, hebben we nu wel gehad. Via de multiculturele samenleving is religie teruggekomen in de stad en in het straatbeeld. Daar kun je niet omheen.’
Inleiding Marcel Maussen
Overigens zijn ‘neutrale’ organisaties, die zich verre van dit alles houden, helemaal niet zo neutraal, aldus Marcel Maussen van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES) van de Universiteit van Amsterdam: ‘Zij staan een ándere richting voor, uiteraard met net zoveel recht als andere stromingen, maar ze zijn niet extra gelegitimeerd omdat ze neutraal heten.’
Maussen is sterk voor een model van principieel pluralisme, waarin niet de illusie van strikte neutraliteit wordt nagestreefd maar waarin de overheid het bestaan van religieuze groepen en organisaties erkent, zodat er ook meer ruimte voor dialoog en kritiek kan ontstaan. Dat is volgens hem trouwens precies waar Nederland in het verleden vaak sterk in was. Zeker, er was sprake van scheiding tussen kerk en staat, maar de overheid droeg regelmatig bij aan de bouw van kerken (de Wet premie kerkbouw vanwege de waarde van het kerkgaande leven) en moskeeën (voor de Molukse gemeenschap, voor gastarbeiders).
Juist voor leden van maatschappelijke groeperingen in marginale posities is het belangrijk dat de democratie ruimte biedt voor mobilisatie als groep, aldus Maussen. Religieuze organisaties bieden leden van minderheden een kans om collectieve belangen en gedeelde ideeën het democratisch proces in te loodsen. Dat is wél wat anders dan een lokaal integratiebeleid dat het steeds maar heeft over onaangepaste mensen.
Locatie
Den Haag, Liberaal Joodse Gemeente Beth Jehoeda
terug


 dot
© 2007 Nicis Institute-colofon-disclaimer-privacydotRSS feed