48-uursservice-nieuwsbrief-webwinkel-Perskamer
 
Trefwoord
dot
dot
Zoekenleeg
logo NICIS
home > bijeenkomsten > verslagen > Toegankelijkheid van voorzieningen
logo NICIS
Print paginaContactSitemap
-
  • thema's en dossiers
  • actueel
  • bijeenkomsten
    • verslagen
  • parels van integratie
  • kennisprogramma's
  • contact
  • over KIEM
-
-
-
-
-
Toegankelijkheid van voorzieningen
09-06-2005
Inleiding
Op 9 juni organiseerde het Kennisnet Integratiebeleid en Etnische Minderheden in opdracht van de Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden (DCIM) van het Ministerie van Justitie een kennisatelier over de toegankelijkheid van voorzieningen. Doel van de dag was te doordenken hoe toegankelijkheid kan worden verbeterd en op basis van praktijkervaringen, successen en falen te komen tot een conceptueel kader voor dit terrein. De onderwerpen die aan bod kwamen, hadden betrekking op de marktwerking en de afstemming tussen vraag en aanbod. Ook was er, in de vorm van workshops, aandacht voor toegankelijkheid in de zorg en toegankelijkheid van de media.
Beschrijving
Dagvoorzitter is Robert Ramdas, directeur van het Multicultureel Instituut Utrecht. Na zijn welkomstwoord kondigt hij de twee inleidende sprekers, Ruben Gowricharn en Jan Lagendijk aan.
Verklaringsfactoren en valkuilen van toegankelijkheid

Ruben Gowricharn is bijzonder hoogleraar op de FORUM/Verwey-Jonker Leerstoel. Zijn betoog staat in het teken van in- en uitsluitingsprocessen. Deze processen zijn, vaak ongemerkt, van grote invloed op onder andere de toegankelijkheid van voorzieningen.

Gowricharn schetst een verschil tussen uitsluiting door cultuur en uitsluiting als een effect van marktwerking. Het gevoel uitgesloten te worden door een cultuur leidt tot apathie en verminderde motivatie om te participeren. Wanneer normen en waarden botsen gaat het altijd om een subjectieve beleving. Hierdoor is het moeilijk om de oorzaken aan te wijzen en deze te veranderen. Uitsluiting als gevolg van de marktwerking is een mechanisme waar de burger geen invloed op uit kan oefenen. De overheid moet dit voorkomen omdat zij de plicht heeft aan iedereen zorg te bieden. Praten in termen van vraag en aanbod vindt hij dan ook niet gepast.

Wanneer sprake is van uitsluiting, zie je de volgende 3 voorwaarden. Ten eerste moet de meerderheid achter de uitsluiting staan. Als voorbeeld noemt Gowricharn de uitzetting van asielzoekers, waar in de maatschappij een groot draagvlak voor is. Ten tweede moet de uitsluiting legitiem zijn. Als voorbeeld van een niet-legitieme uitsluiting noemt hij het tegenhouden van een specifieke groep Marokkaanse huwelijksmigranten. Ten derde moet de uitsluiting sociaal aanvaard zijn. Vaak blijkt uitsluiting echter ongewild voor te komen. Stigma’s zorgen voor een uitsluiting op culturele gronden en taalproblemen hebben uitsluiting van de arbeidsmarkt ten gevolg. Door discussies en debatten wordt legitieme uitsluiting makkelijker. Daarnaast noemt Gowricharn nog een aantal belangrijke factoren, zoals het opkomend cultuurnationalisme en –chauvinisme in Europa, anti-religiositeit en machtsverschillen.
Ook zelfuitsluiting komt voor, zowel gewild als ongewild. Hij illustreert dit met het voorbeeld van de Bijlmer, waar collectieve zelfuitsluiting plaats vindt op basis van onderwijsniveau. Het collectief bij elkaar wonen hoeft geen zelfuitsluiting te zijn, zolang het algemeen geaccepteerd wordt. Trots voor de eigen cultuur zorgt ook voor het behoud van de positieve positie van een etnische minderheid. Er is ook sprake van gewilde zelfuitsluiting wanneer er verzet is tegen de dominante cultuur in de vorm van radicalisering.

Cultuur speelt altijd een rol bij in- en uitsluiting. Iedereen hanteert culturele normbeelden op basis waarvan continu automatische selecties worden gemaakt. Wij handelen en bejegenen mensen naar die normbeelden, wat de in- en uitsluiting versterkt. Het relativeren van die normbeelden en selectiecriteria is belangrijk om die processen te kunnen stoppen. Daarnaast moet verbrokkeling en het hybride denken in termen van in- en uitsluiting tegen worden gegaan.

Om het hybride denken tegen te gaan moet de aandacht meer gericht worden op het positieve. Wat is wél succesvol voor insluiting en hoe maximaliseer, verspreid en consolideer je dat succes? Ten slotte benadrukt Gowricharn dat mensen met een specifieke achtergrond in een bepaalde arbeidsorganisatie niet direct de hele groep representeren.

Inbedding van toegankelijkheid in Utrecht

Jan Lagendijk werkt voor de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling bij de gemeente Utrecht. Zijn betoog gaat over de inbedding van toegankelijkheid aan de hand van resultaten en leerervaringen van het Utrechtse beleid.
Volgens Lagendijk wordt het integratiebeleid altijd bekeken vanuit cultuurverschillen.
Hoewel geprobeerd wordt een acceptatie van die verschillen te bewerkstellen, is dit niet de werkelijkheid. Het ideaalbeeld van het Multicultureel Instituut Utrecht is het in gang zetten van nieuwe omgangsvormen, normen en waarden, waardoor er nieuwe sociaal-culturele verhoudingen ontstaan. Daarbij is het belangrijk dat de achterstand van allochtone burgers aangepakt wordt zodat er een volwaardige maatschappelijke participatie kan plaatsvinden.

Integratie zou een automatisch proces moeten zijn. De bedreigingen die dit verhinderen zijn de sociaal economische achterstand en de gedwongen segregatie. Als het gaat om keuzes in de arbeidsmarkt, de woningmarkt en het onderwijs zijn autochtone burgers in algemene zin bevoordeeld. De segregatie veroorzaakt vervolgens een reproductie van de marginalisering. Criminaliteit en overlast nemen toe. Culturele regressie, een proces van terugtrekking, het verlangen naar vroeger en extreem emancipatiegedrag vormen een houvast voor de identificatie van de benadeelden.
Om een succesvol integratiebeleid te voeren moet uitgegaan worden van de drie t’s: toerusting, toenadering en toegankelijkheid. De toerusting heeft te maken met het investeren in de migrant in de vorm van opvoeding, educatie en een oriëntatie op de samenleving. Toenadering leidt tot uitwisseling van informatie en kennis en het blootleggen van verschillen. Toerusting en toenadering maken een verbetering in toegankelijkheid mogelijk. De toegankelijkheid wordt in eerste instantie bevorderd door het verkleuren van producten en diensten. De verkleuring heeft niet als doel verschillende bevolkingsgroepen te representeren maar het is een teken toegankelijk te zijn voor iedereen.
Voor een effectieve aanpak moet gekeken worden naar de mate van urgentie. Verkleuring van de klant en doelgroep en de verkleuring van het arbeidspotentieel hebben een hoge urgentie. Het creëren van spanningen en problemen op deze gebieden vergroten de daadkracht. Ook maatschappelijke overtuiging, politiek-bestuurlijke eisen en de politieke correctheid moeten aangepakt worden. Lagendijk maakt hierbij een onderscheid tussen oplossingen van binnen naar buiten en vice versa. De aanpak van buiten naar binnen, zoals de politieke correctheid, is lastig en heeft een averechtse werking. Ook subsidieverordeningen voor instellingen met daaraan gekoppelde voorwaarden werken niet motiverend.
Communicatie is het kernbegrip. De communicatie tussen de verschillende bevolkingsgroepen leidt tot wederzijdse informatieoverdracht, begrip en vertrouwen. Daarbij moet ook geïnventariseerd worden in hoeverre de partijen bereid zijn om iets met elkaar te ondernemen. Plannen moeten realistisch zijn en ontstaan vanuit maatschappelijke voorkeuren.
Met betrekking tot de toegankelijkheid geeft Lagendijk een paar tips. Door het koppelen van de drie t’s: toerusting, toenadering en toegankelijkheid, vergroot je de kans op succes. Als voorbeeld noemt hij de taalstages binnen bedrijven in het kader van de inburgering en de één op één ontmoetingen van allochtone en autochtone burgers in Utrecht. Het werken van binnen naar buiten leidt tot een effectieve aanpak op de meest urgente plekken. Het investeren in communicatie en beeldvorming creëert diepgang in de dialoog die nu nog te oppervlakkig blijft. Tot slot moeten initiatiefnemers voldoende worden ondersteund. Het ambtelijk apparaat biedt nog te weinig draagvlak voor deze aanpak, maar volgens Lagendijk wordt hier aan gewerkt.
Plenaire discussie
In de plenaire discussie, onder leiding van Robert Ramdas, wordt een terugkoppeling gemaakt naar de drie workshops. Één workshop ging over de verhoudingen tussen vraag en aanbod van voorzieningen. Aan de hand van een casus over zorgvoorzieningen voor Turkse doelgroepen werd de vraag geponeerd of er eigenlijk wel gesproken kan worden van een Turkse vraag en een Turks aanbod en hoe dat zich met elkaar verhoudt. Vanuit het publiek wordt hierop gereageerd met de vraag of het de taak is van beleidsvoerders en medewerkers om deze vraag te stellen. Moet de vraag naar voorzieningen niet komen vanuit de doelgroepen zelf? Ook wordt gesteld dat het aanbod van voorzieningen alle doelgroepen in de samenleving moet kunnen dienen waardoor er van een doelgroepgericht aanbod geen sprake is.
In de terugkoppeling van de workshop over de macht van vraag en aanbod werd gemeld dat de workshop was ingericht als een zoektocht naar de vraag welke factoren de vraag en het aanbod bepalen. Door de deelnemers is een veelheid aan factoren verzameld. Daaruit bleek wel dat de ontwikkeling van vraag en aanbod een voortdurend dynamisch proces is.
In de workshop over de toegankelijkheid van de ouderenzorg kwam naar voren dat een gericht aanbod wel degelijk nodig is. Ouderen van de eerste generatie allochtonen hebben een grote behoefte aan zorg in de eigen taal, aangepast aan de eigen culturele normen en waarden. Een ander punt was of je moet streven naar een personeelsbestand dat een afspiegeling is van de maatschappij of dat je meer rekening moet houden met culturele opvattingen. Het werken in de zorg heeft binnen de Islam weinig aanzien en Islamitische ouderen maken nauwelijks gebruik van Nederlandse ouderenzorgvoorzieningen. Daarentegen worden er steeds meer arbeidsprojecten gestart voor moslima’s in de zorgsector. Een van de conclusies was ook dat omgaan met allochtonen een actieve opstelling vereist.
In de terugkoppeling van de workshop over de toegankelijkheid in de media wordt een korte samenvatting gegeven van de kernpunten in het toegankelijkheidsdebat.
  • De maatschappij en overheidsinstellingen hebben de plicht tot informatieverstrekking.
  • Om de effectiviteit van de informatieverstrekking te vergroten moeten meerdere mediawegen worden benut.
  • Door de nadruk te leggen op de zelfredzaamheid van het individu doe je een direct beroep op de doelgroep en zet je aan tot actie.
  • Door de nadruk te leggen op de zelfredzaamheid van het individu doe je een direct beroep op de doelgroep en zet je aan tot actie.
  • Het hebben van netwerken en kennis zorgen voor een bewustzijn van andere normen en behoeftes. Netwerken moeten niet beperkt blijven tot het lokale niveau, maar ook tussen steden worden opgebouwd.
  • Instellingen en overheden moeten vanaf het begin zorgen voor een goede communicatie met alle betreffende groepen om hun beleid zo transparant mogelijk te maken.
  • Klantgroepen zouden ook bij de ontwikkeling van oplossingen betrokken moeten worden.


De conclusie is dat toegankelijkheid afhankelijk is van goede communicatie en dat communicatie afhankelijk is van de toegankelijkheid van informatiebronnen.
Na de terugkoppeling van de workshops stelt Thomas Hessels zich voor. Hij is senior beleidsmedewerker bij het Ministerie van Justitie/DCIM en woont deze bijeenkomst bij om kennis op te doen over de voortgang van en de problemen binnen integratieprocessen. Hessels zegt op zoek te zijn naar een antwoord op de vraag waarom de gezondheidszorg veel problemen kent op dit gebied, in vergelijking tot andere sectoren, en welke factoren daarbij van invloed zijn. Hij geeft aan vast te kunnen stellen dat er in de samenleving op verschillende terreinen gewerkt wordt aan verbetering van de toegankelijkheid. Tegelijkertijd stelt hij vast dat wat zijns inziens de kernvraag is, namelijk welke factoren belemmeren dat vraag en aanbod zich langs natuurlijke weg op elkaar richten niet aan de orde is gekomen. Hij legt het verband met buitenlandse levensmiddelen die wel vrijelijk op de markt worden aangeboden, maar dat bijvoorbeeld in de gezondheidszorg fricties tussen vraag en aanbod blijven bestaan.
Ruben Gowricharn reageert hierop met de volgende punten:
  • Elke handeling heeft een culturele lading. Het is belangrijk om te zoeken naar een neutraal kader waarbinnen veranderingen kunnen plaatsvinden. Om dit te kunnen doen moeten er grenzen gesteld worden. Vraag en aanbod kunnen niet altijd perfect op elkaar aansluiten en hier moet ook niet naar worden gestreefd.
  • Een voorbeeld binnen de gezondheidszorg is de opkomende vraag naar alternatieve geneeswijzen. Om het aanbod aan te laten sluiten op de vraag moet er eerst sprake zijn van acceptatie van deze takken van de (para)medische zorg.
  • Het vinden van een balans tussen vraag en aanbod is gelijk aan het afstemmen van machtsfactoren. Beide partijen moeten dingen van elkaar accepteren om samen een methodiek te kunnen ontwikkelen.
  • Door de nadruk te leggen op behaalde successen aan de hand van concrete voorbeelden, leer je hoe het wel lukt.
  • Het verhaal van vraag en aanbod is een maatschappelijk vraagstuk, geen droge marktwerking. De economische benadering leidt tot een wig in het denken. Het gaat niet om het behalen van targets of het werken met statische problemen en oplossingen.
  • Diversiteit in de samenleving vergt flexibiliteit in de organisatie, anders wordt de diversiteit tekort gedaan en de organisatie beperkt.
  • De zorgvraag en de zorgbehoefte liggen nog ver uit elkaar. Om dit samen te brengen zijn inzet en geld nodig. Met gebruik van machtsposities kan de zorgbehoefte gekweekt worden.
In de afsluiting werd een korte samenvatting gegeven van de kernpunten die deze dag aan de orde zijn gekomen.
  • Het denken in termen van vraag en aanbod moet als het om voorzieningen gaat los gelaten worden.
  • Insluiting is een belangrijk begrip in het vergroten van de toegankelijkheid van voorzieningen en het op gang brengen van de communicatie.
  • Het vermogen om eens vanuit een andere positie naar de problemen te kijken vergroten het begrip voor elkaar en de creativiteit in het zoeken naar oplossingen.
  • Er moet meer aansluiting zijn met wat er al gebeurt in de samenleving. Vanuit dat punt kun je gaan uitbreiden. Daarbij moet de nadruk liggen op de reeds behaalde successen.
  • Toegankelijkheid is afhankelijk van goede communicatie. Dit vraagt nieuwe vormen van communicatie.
De voorzitter kwam in zijn slotwoord nog met de volgende aanbevelingen:
  • Ga uit van de goede resultaten, maak die tot een proces, blijf niet steken bij conceptualiseringen.
  • Koppel toegankelijkheid aan de andere T’s, het is niet eendimensionaal.
  • Houd het flexibel, standaardiseer niet.
Locatie
Victoria Hotel, Amsterdam
terug


 dot
© 2007 Nicis Institute-colofon-disclaimer-privacydotRSS feed